De
zoute zee
We varen
voor een zeemanspree.
Over de zoute zee.
En we nemen er nooit vrouwen mee.
Over de zoute pekelzee, over de zoute zee.
We eten bonen met
azijn.
Over de zoute zee.
Het spek is voor de kapitein.
Over de zoute pekelzee, over de zoute zee.
En we gaan zuipen
aan de wal
Over de zoute zee.
Ze tappen er bier zo bitter als gal.
Over de zoute pekelzee, over de zoute zee.
De vrouwen uit de
zeemanskroeg.
Over de zoute zee.
Daar is het genot nooit lang genoeg.
Over de zoute pekelzee, over de zoute zee.
En komt er een orkaan
voorbij.
Over de zoute zee.
Dan is het gedaan met de koopvaardij.
Over de zoute pekelzee, over de zoute zee.
Dan roepen we Neptunus
aan.
Over de zoute zee.
Neptunus laat ons niet vergaan.
Over de zoute pekelzee, over de zoute zee.
Als we voor eeuwig
zijn vergaan.
Over de zoute zee.
Dan komen we in de hemel aan.
Over de zoute pekelzee, over de zoute zee.
Dan krijgen we onze
laatste pree.
Over de zoute zee.
En zuipen met Neptunus mee.
Over de zoute pekelzee, over de zoute zee.
|